Archief
Artikelen

Hoewel nog talloze mensen geloven in de hemel als de plaats waar gelovige zielen na hun dood voor altijd gelukkig zullen zijn, is het beeld van de hemel sinds Galileo Galilei wel ingrijpend gewijzigd. De Griekse geleerde Claudius Ptolemaeus meende in navolging van Aristoteles dat de aarde het middelpunt was van het heelal. De zon, de maan, de planeten en de sterren draaiden rond de aarde. Ze vielen niet naar beneden omdat ze waren bevestigd aan zeven zuivere kristallen bollen. De buitenste bol was die van de sterren, daar voorbij was de zevende hemel, waar God en de engelen woonden. Dit volmaakte model sprak de kerk van Rome wel aan.

De Poolse monnik Nicolaas Copernicus (1473 – 1543) was wiskundige, arts, jurist en sterrenkundige. Hij plaatste de zon in het midden, dit in navolging van een andere Griekse geleerde, Aristarchus van Samos, die de theorie van Pythagoras volgde. Copernicus besefte wel dat de kerk van Rome hier niet blij mee zou zijn. Zijn boek De revolutionibus orbium coelestium werd pas gedrukt toen Copernicus op zijn sterfbed lag. Het vond zijn weg naar alle sterrenkundigen van Europa, maar aanvankelijk zag men het slechts als een model, een hypothese.

Galileo Galilei (1564 – 1642) wist dank zij de uitvinding van de telescoop het model van Copernicus proefondervindelijk te bewijzen. De planeten draaien rond de zon, maar volgens Copernicus en Galileo waren hun banen zuivere cirkels. Johannes Kepler (1571 – 1630) was een tijdgenoot van Galileo. Hij was geboren in Duitsland, waar de kerk van Rome inmiddels de macht had verloren aan de Lutheranen. Zijn Astronomia nova verscheen in 1609, in het zelfde jaar als waarin Galileo zijn Sidereus nuncius schreef, het boek dat hij in 1610 zou aanbieden aan Cosimo II van Florence.

In 1600 was Kepler een assistent geworden van Tycho Brahe (1546 – 1601), een Deense edelman die in Praag de keizerlijk wiskundige was. Brahe had het op zich genomen om de posities van de sterren en planeten op te tekenen. Hij had nog geen telescoop, maar hij construeerde instrumenten om nauwkeurig hoeken te meten. Na de dood van Brahe kreeg Kepler de beschikking over zijn aantekeningen. Hij sloeg aan het rekenen en besefte dat de banen van de planeten geen “zuivere” cirkels zijn, maar ellipsen. De wetten van Kepler zouden later door Isaac Newton (1642 – 1727) worden voorzien van een wiskundig bewijs.

Rond 1600 was de wetenschap nog doortrokken van bijgeloof. Sterrenkunde was belangrijk, omdat men geloofde dat het lot van de mens in de sterren geschreven stond. Astrologie, het trekken van horoscopen, was de reden waarom keizer Rudolf II van Oostenrijk Tycho Brahe in dienst nam. Ook Galileo trok horoscopen voor zijn beschermheren. Verder was alchemie een belangrijke bezigheid. Het mengen, oplossen en verhitten van stoffen zou moeten leiden tot de “steen der wijzen” die alles zou veranderen in goud. Op zich was dat niet zo’n vreemde gedachte, want ook koper, lood en zilver werden gewonnen uit stenen. Die stenen zijn echter oxiden en goud oxideert niet. De steen der wijzen bestaat daarom niet.

De volgende uiteenzetting over de drie geleerden die van grote invloed zijn geweest op de ontwikkeling van de sterrenkunde, wordt gepresenteerd door een Griek, Dimitris Petakos. De video is in het Engels ondertiteld. Hij geeft een aanschouwelijk beeld van de steeds veranderende opvatting van de hemel en daarmee van de betrekkelijkheid van de wetenschap.

Copernicus, Brahe & Kepler: Three Great Astronomers (2011) duurt 30 minuten.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

Laat een reactie achter