Archief
Artikelen

Het Kapitaal in strip-vorm

Het vijfde college van David Harvey gaat niet over hoofdstuk 7-9, maar over hoofdstuk 5-7 van Het Kapitaal. Deze drie hoofdstukken gaan over de productie van absolute meerwaarde. Harvey begint zijn college met een uiteenzetting van de manier van redeneren van Marx. Daarbij herhaalt hij de reeks van tegenstellingen die in de eerste vier hoofdstukken aan de orde kwamen, waarna hij wijst op het verschil tussen de dialectische methode en het causale denken in oorzaak en gevolg. In de dialectische methode gaat het altijd om een wisselwerking. De tegenstelling tussen natuur en cultuur bestaat bij Marx daarom niet, het is een wisselwerking. Het ligt in de natuur van de mens dat zij de omringende natuur aan hun eigen behoeften aanpassen. Dat proces heet arbeid. In de loop van de geschiedenis is deze arbeid van karakter veranderd, maar daarmee veranderde ook de natuur (het karakter) van zowel de natuur als de mens. Marx analyseert dit arbeidsproces niet in termen van oorzaak en gevolg, maar als een groeiproces.

Rond minuut 20 pakt Harvey zijn boek en begint Hoofdstuk 5 voor te lezen. Dit gaat over de stoffen die de mens in de natuur aantreft en die hij door zijn arbeid verandert in bruikbare zaken. Harvey wijst er op dat Marx het niet heeft over een concrete arbeid, maar over het arbeidsproces. Ook de productiemiddelen zijn ontstaan in een proces van productieve arbeid. Zij hebben daarom een waarde. Omdat tijdens het arbeidsproces de productiemiddelen worden verbruikt (door slijtage of omdat ze in het proces verdwijnen), is arbeid tevens een vorm van consumptie, namelijk van grondstoffen en werktuigen. Marx noemt dit productieve consumptie. Het resultaat is een nieuw product waarin de waarde van de productiemiddelen aanwezig blijft.

Dan keert Marx terug (in mijn boek op p. 122) tot de kapitalist die op de arbeidsmarkt arbeidskracht koopt, waardoor de kapitalist en de arbeider in een machtsverhouding tegenover elkaar komen te staan: de kapitalist bepaalt ten eerste de arbeidsvoorwaarden en ten tweede is het product van de arbeid het eigendom van de kapitalist en niet van de arbeider die het produceerde.

Voorbij minuut 45 komt Harvey bij deel 2 van Hoofdstuk 5: De vorming van meerwaarde. Volgens mij is dit stukje cruciaal! De industriële kapitalist brengt arbeidskracht en productiemiddelen samen, om een waar te produceren met meer waarde dan de oorspronkelijke ingrediënten. Tijdens het productieproces neemt de waarde van de productiemiddelen niet toe. Dit lijkt misschien wel zo, maar het is niet zo. Hoewel de prijs van het meel kan variëren, wordt het meel niet duurder omdat je er een brood van bakt!

Marx heeft het dan even over de morele waarden die samengaan met het kapitalisme, zoals zuinigheid en vlijt, om dan ter zake te komen, in mijn boek op p. 129. De ruilwaarde van de arbeidskracht wordt bepaald door de kosten van onderhoud voor deze arbeidskracht, maar een arbeider realiseert deze waarde en gaat dan nog even door met werken. Iedere arbeider werkt langer dan nodig is om zijn eigen ruilwaarde te realiseren. De gebruikswaarde van de arbeidskracht is daarom groter dan de ruilwaarde! Alleen de levende arbeidskracht kan aan de dode productiemiddelen een meerwaarde geven. Deze meerwaarde komt tot stand door een kwantitatief overschot aan arbeid. Hoe langer de kapitalist de arbeider laat werken, des te groter wordt de meerwaarde.

Voorbij minuut 1:03 begint Harvey aan hoofdstuk 6: Constant kapitaal en variabel kapitaal. Het doel van dit onderscheid wordt pas duidelijk in hoofdstuk 7. Tot het constante kapitaal rekent Marx alle productiemiddelen, zoals gebouwen, machines, brandstof en grondstoffen. Tijdens het productieproces neemt hun waarde niet toe, al dragen ze wel hun waarde over op het product. Deze overdracht van waarde vereist echter arbeid en zonder deze arbeid kan hun waarde zelfs verloren gaan. (Meel bederft als je er geen brood van bakt, machines roesten als ze stil staan.) De arbeider draagt de waarde van het constante kapitaal over op het product in een proces van productieve consumptie. De arbeidskracht heeft daarom een dubbele functie: enerzijds bestendigt hij de waarde van het constante kapitaal door deze over te dragen op het product. Daarnaast schept de arbeidskracht zelf waarde. Daarom noemt Marx de arbeidskracht (de totale loonsom) het variabele kapitaal. De waarde van het product is dan: constant kapitaal + variabel kapitaal + meerwaarde.

Voorbij minuut 1:14 gaat Harvey naar hoofdstuk 7: De meerwaardevoet. In het eerste deel van dit hoofdstuk, De uitbuitingsgraad van de arbeidskracht, wordt het doel van hoofdstuk 6 duidelijk. Het constante kapitaal produceert geen waarde, dus zeker geen meerwaarde, al denken de kapitalisten nog steeds van wel! De verhouding tussen het constante kapitaal en het variabele kapitaal is echter wel bepalend voor de mate van productiviteit.

Alleen de arbeidskracht produceert waarde, daarom kijkt Marx naar de verhouding tussen het variabele kapitaal en de meerwaarde. In feite draait dat om de vraag: hoeveel uren moet een arbeider werken om zoveel waarde te produceren als nodig is om zichzelf in stand te houden en hoeveel uren werkt hij om waarde te produceren voor de kapitalist? Het eerste noemt Marx de noodzakelijke arbeidstijd, het tweede noemt hij de meerarbeid. Blijkt de verhouding tussen die twee ongeveer 1:1, dan is de uitbuitingsgraad 100%. Voor elk bedrag dat de kapitalist investeert in variabel kapitaal of arbeidskracht, krijgt hij dan het dubbele terug.

Een derde waarde is de winstmarge. Dit is de verhouding tussen het kapitaal (zowel constant als variabel) en de meerwaarde of winst. Een kapitalist probeert niet zozeer om de winst te vergroten, maar om de winstmarge te vergroten! Uiteraard is deze altijd veel kleiner dan de uitbuitingsgraad, maar de kapitalist kijkt slechts naar de winstmarge. in subhoofdstuk 3: Seniors “laatste uur” maakt Marx de kachel aan met deze manier van denken. Het laatste deel: Het meerproduct, gaat over de vraag hoeveel een arbeidskracht kan produceren. Dit is afhankelijk van de stand van de techniek. Is deze hoog, dan is de noodzakelijke arbeidstijd korter en de meerarbeid wordt hoger. Uitgedrukt in geproduceerde waren noemt Marx de opbrengst van die meerarbeid het meerproduct.

Class 05 Reading Marx’s Capital with David Harvey duurt een uur en 36 minuten.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

2 Reacties op “Het Kapitaal lezen met Harvey: Hoofdstuk 5-7”

Recente reacties