Archief
Artikelen

Het vierde college van David Harvey gaat over hoofdstuk 4 van Het Kapitaal, maar in het boek van Harvey zijn dat de hoofdstukken 4-6. Uit de titel van Hoofdstuk 4: De omzetting van geld in kapitaal, blijkt reeds dat geld (ook véél geld) niet hetzelfde is als kapitaal. Geld moet op een bepaalde manier worden aangewend, wil het veranderen in kapitaal. Het verschil tussen geld en kapitaal, is dat geld niet groeit, maar kapitaal doet dat wel. Marx probeert dit groeiproces te doorgronden.

In de eerste drie hoofdstukken heeft Marx uitgelegd dat mensen waren ruilen op de markt en dat het geld daarbij dient als intermediair: W -> G -> W. De waren verdwijnen uit deze cyclus als ze door de koper worden gebruikt, maar het geld verdwijnt niet, het keert steeds terug in de cyclus. Men kan geld sparen, men kan het uitlenen, maar men kan het ook investeren in waren, om deze daarna te verkopen. De cyclus leidt daarom tot een nieuwe cyclus: G -> W -> G. In deze formule wordt het geld aangewend als kapitaal. Dit proces zou echter zinloos zijn als men eindigt met even veel geld als waarmee men begon, daarom heeft deze cyclus de formule van G -> W -> G’, waarbij G’ groter is dan G, of: G’= G + delta G. Dit extra geld, delta G, noemt Marx de meerwaarde. De vraag hoe deze meerwaarde ontstaat loopt als een rode draad door het hele boek.

Om meerwaarde te verkrijgen zal de kapitalist zijn geld steeds opnieuw moeten investeren in de kringloop G -> W -> G’. De beweging van het kapitaal is derhalve onbeperkt. Omdat G’ per definitie groter is dan G, moet het kapitaal constant blijven groeien en ook deze groei kent geen enkele limiet! Kapitaal kan de vorm aannemen van handelskapitaal, industrieel kapitaal, of kapitaal dat wordt uitgezet tegen rente, maar dit verandert niets aan de algemene formule: G -> W -> G’.

Na minuut 29 begint Harvey met het tweede deel van hoofdstuk 4: Tegenstrijdigheden in de algemene formule. Voor hem is dit hoofdstuk 5. In dit deel stelt Marx zichzelf de vraag waar de meerwaarde vandaan komt. Als men waren ruilt, dan ontstaat er geen waarde, maar beide partijen winnen in de ruil aan gebruikswaarde. Men ruilt wat men over heeft tegen dat wat men nodig heeft, maar de waarde van de geruilde goederen verandert niet. Door de werking van vraag en aanbod kan de prijs van een waar variëren, maar de waarde blijft hetzelfde. Een brood wordt immers niet groter als de broodprijs stijgt. Marx komt dan tot de conclusie: De circulatie of warenruil schept geen waarde.

Tegelijkertijd kan er nooit meerwaarde ontstaan als er geen waren circuleren. Het kapitaal haalt zijn meerwaarde uit de circulatie, maar de circulatie zelf produceert geen meerwaarde. Het kapitaal moet dus tegelijkertijd zowel binnen als buiten de circulatie ontstaan.

Bij minuut 48 gaat Harvey naar het derde deel van hoofdstuk 4: Koop en verkoop van arbeidskracht. Op zoek naar de bron van meerwaarde zegt Marx dat er op de markt een waar wordt verkocht met de bijzondere eigenschap dat deze waarde kan produceren: de arbeidskracht! De waarde van een waar wordt bepaald door de sociaal noodzakelijke arbeidstijd om de waar te produceren. De waarde van de arbeidskracht is daarom het levensonderhoud van de arbeider. Maar een arbeider kan meer waarde produceren dan nodig is om zichzelf in leven te houden. De industriële kapitalist koopt arbeidskracht tegen een prijs waarmee arbeiders zichzelf (en hun kinderen) kunnen reproduceren en eigent zich de geproduceerde waren toe. De meerwaarde ontstaat omdat in het product van de arbeidskracht meer arbeid ligt dan nodig is om de arbeidskracht te (re-)produceren.

Voorwaarde voor de ontwikkeling van het industriële kapitalisme is dat de arbeider geen slaaf is, maar vrij om zijn arbeid te verkopen op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd moet de arbeider vrij zijn van eigen middelen om productieve arbeid te verrichten. (Het begrip “vrijheid” heeft reeds bij Marx deze dubbele betekenis!) Dat er een arbeidsmarkt bestaat, is het resultaat van een langdurig historisch proces. De waarde van de arbeidskracht is afhankelijk van de culturele context waarin de arbeider zich bevindt. De prijs op de arbeidsmarkt varieert dan ook in de tijd en van land tot land. In het feit dat arbeidskracht waarde kan scheppen onderscheidt het zich van alle andere waren op de markt.

De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht, om met het geld de benodigde waren te kopen: W -> G -> W. De kapitalist koopt niet de arbeider, maar alleen zijn arbeidskracht, om daarmee meer waarde te scheppen dan nodig is voor het in stand houden van de arbeider en aldus meer geld te ontvangen dan hij heeft geïnvesteerd: G -> W -> G + delta G. Dit antagonisme tussen arbeid en kapitaal leidt tot een voortdurende strijd tussen deze twee factoren.

De laatste 10 minuten van het college beantwoordt Harvey vragen.

Class 04 Reading Marx’s Capital with David Harvey duurt een uur en 37 minuten.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

Laat een reactie achter

Recente reacties