Archief
Artikelen

Het derde college van David Harvey gaat over hoofdstuk 3 van Het Kapitaal: Het geld of de warencirculatie. Harvey zei reeds dat dit een moeilijk hoofdstuk is, en dat blijkt waar. Daarom heb ik eerst het college gevolgd, om pas daarna het hoofdstuk te lezen. Toen begreep ik het wel en ik vond het zelfs uiterst boeiend! Voor een goed begrip van de rest van het boek hoeft men het echter niet meteen te begrijpen. Het wordt later uit voorbeelden duidelijk wat Marx bedoelt.

In mijn editie van uitgeverij De Haan begint dit hoofdstuk op p. 48. Dit boek staat hier tweede hands voor 7.50 euro te koop. Hoofdstuk 3 bestaat uit drie delen, te beginnen met geld als waardemeter. Volgens Marx is geld oorspronkelijk een waar, die net als alle andere waren zijn waarde ontleent aan de arbeid die is verricht om die waar te produceren. Om op de markt iets waard te zijn, moet deze waar ook gebruikswaarde hebben, ander wil niemand iets tegen deze waar ruilen. Zelf vond ik het handig om daarbij te denken aan het betaalmiddel in de oudheid: gerst! Maar Marx begint met goud en gaat er ook verder van uit dat goud de geldwaar is.

Goud wordt de waar waarvan de waarde wordt gebruikt om de waarde van alle andere waren in uit te drukken. De hoeveelheid goud die een waar vertegenwoordigt, is de prijs. Goud is de waardemeter, maar waren hebben een prijs zonder ze worden geruild tegen de geldwaar. In de functie van waardemeter is het geld daarom slechts denkbeeldig, de waarde van waren wordt omgezet in denkbeeldige hoeveelheden goud van verschillende grootte. Goud is zelf ook een waar, dus een product met een variabele waarde. Voor het onderling vergelijken van twee warenwaarden maakt dat echter niets uit, het oefent geen invloed uit op het goud als prijsstandaard. In principe staat de prijs in verhouding tot de maatschappelijke arbeidstijd, maar door het geld kan er een verschil tussen deze twee ontstaan. Ook dingen zonder waarde kunnen voor geld worden verhandeld, zoals aflaten in de RK kerk.

Bij minuut 31 begint deel 2: geld als circulatiemiddel. Geld ontstond omdat alle waren werden geruild tegen één bepaalde waar, het geld, en daar kon men alle andere waren voor kopen. Geld maakt dat de waren vrij kunnen circuleren. Marx noemt dat de stofwisseling van maatschappelijke arbeid. De waren die voor geld worden gekocht, verdwijnen uit de circulatie, geld echter niet! Het heeft immers geen gebruikswaarde, maar alleen ruilwaarde.

De vraag is dan hoeveel geld er moet zijn, om de circulatie van de waren soepel te laten verlopen. Deze hoeveelheid hangt samen met de som van de prijzen van de waren die worden verhandeld. Maar hij hangt tevens af van de omloopsnelheid van het geld. Hoe meer transacties binnen een bepaalde tijdseenheid, des te minder geld hoeft er relatief (in verhouding met de som van alle prijzen) in omloop te zijn. Vertraagt de geldomloop, dan is dezelfde hoeveelheid geld niet meer voldoende! Dat komt niet door het gebrek aan geld, maar doordat het geld minder snel circuleert.

Vervolgens behandelt Marx de geschiedenis van de munten. Deze slijten, maar als de koopkracht van een munt door de staat wordt gegarandeerd, dan geeft dat niet. (Een munt die meer waard is dan zijn koopkracht, verdwijnt uit de circulatie, omdat mensen die munt dan omsmelten, zoals in de jaren ’70 gebeurde met de koperen cent, om het koper te verkopen voor meer geld dan de centen.) De waarde van het geld wordt aldus symbolisch. Als waardemeter is goud een goede keuze, maar als circulatiemiddel is het onhandig. Betrekkelijk waardeloze dingen – stukjes papier – kunnen in plaats van goud als munt functioneren: het door de staat uitgegeven papiergeld met een gedwongen koers. Zonder de staat kan er geen papiergeld bestaan! In de tijd van Marx werd dat papier gedekt door goud, maar in 1971 heeft de VS de goudstandaard losgelaten. Harvey gaat daar wat dieper op in.

Bij minuut 1:03 begint deel 3: geld. Dit valt uiteen in de delen: schatvorming, betaalmiddel en wereldgeld. Schatvorming ontstaat omdat geld geen gebruikswaarde heeft, maar wel zijn ruilwaarde behoudt. In plaats van al hun geld te gebruiken om waren te kopen, gaan mensen geld sparen. Ze gebruiken hun waren om geld te verzamelen, in plaats van het geld om waren te verzamelen. Dit spaar geld verdwijnt uit de circulatie, meestal op momenten dat er meer geld in omloop is dan er waren tegenover staan. In perioden van crisis spreken de mensen hun spaargeld aan, waardoor het weer gaat circuleren.

Bij minuut 1:19 begint Harvey over geld als betaalmiddel. Marx bedoelt daarmee, dat waren worden verhandeld tegen de belofte van geld in de toekomst: men kan kopen op krediet. Op het moment dat men betaalt, wisselen er geen waren van eigenaar. De geldstroom maakt zich los van de warencirculatie. Ook belastingen die vroeger in natura werden geheven ( 10% van de oogst) moeten nu in geld worden betaald. Als er in de economie te weinig geld omgaat, dan leidt dit tot armoede bij de boeren. Maar krediet maakt ook dat de debiteuren zich in de macht van de crediteuren bevinden. Dit leidt tot sociale spanningen wanneer de debiteuren massaal niet in staat zijn om hun schuld af te lossen. Harvey heeft het dan even over de huizencrisis…

Bij minuut 1:33 gaat het over wereldgeld. Ieder land drukt geld, dat binnen dat land circuleert als symbool van waarde. Maar op de wereldmarkt wordt dat papiergeld niet als een vaste waarde gezien, daar handelt men in goud! Daarom houden landen een goudreserve aan. Toen daar de dollar voor in de plaats kwam, zogenaamd gedekt door aardolie, ging het wel een beetje mis…

Tot zover mijn summiere samenvatting. Laat je dus niet afschrikken door de moeilijkheidsgraad, maar luister naar de professor!

Class 03 Reading Marx’s Capital with David Harvey duurt een uur en 50 minuten.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

1 Reactie op “Het Kapitaal lezen met Harvey: Hoofdstuk 3”

  • mr. drs. Bou:

    Even over die goudreserves, die spelen wel degelijk nog een rol!

    WAAR IS SINDS 1940 ONS GOUD GEBLEVEN?

    De Nederlandsche Bank wenst geen openheid te geven over de Nederlandsche goudvoorraad. Voor enkele critici is dat reden om aan de bel te trekken, gezien de monetaire onzekerheid en de snel stijgende goudprijs. De Nederlandsche Bank verkocht 54 ton goud in 2006. Zag men toen al de crisis aankomen, of hield men er toen al rekening mee, dat het zo nooit door kon gaan? In ieder geval is het een rare move om het kostbare edelmetaal in te wisselen voor waardeloos papier.

Laat een reactie achter

Recente reacties