Archief
Artikelen

Het tweede college van David Harvey gaat over hoofdstuk 1 en 2 van Het Kapitaal. Deze hoofdstukken zijn nogal saai, omdat Marx daarin zeer zorgvuldig (en nogal langdradig) zijn begrippen definieert. Om de rest van Het Kapitaal te begrijpen, is een goed begrip van deze definities echter noodzakelijk. Harvey herhaalt eerst waar zijn vorige college over ging: de sociaal noodzakelijke arbeidstijd. Volgens Marx is dat begrip bepalend voor de waarde van de waren, die immers het product zijn van menselijke arbeid. Deze waarde komt echter pas tot uiting wanneer het product wordt geruild of verhandeld op de markt. Op dat moment wordt de waarde uitgedrukt in geld.

De paginanummers die Harvey noemt, zijn nogal verwarrend, want zijn editie heeft nogal wat voorwoorden, die in de vertaling van Lipschits met Romeinse cijfers genummerd zijn. Harvey begint bij hoofdstuk 1, pagina 1: De waar. Iedere waar heeft volgens Marx een tweevoudig karakter, hij vertegenwoordigt zowel gebruikswaarde als ruilwaarde, maar nooit beiden tegelijk. De waarde van de waar bestaat uit grondstoffen plus de hoeveelheid arbeid die nodig is om deze waar te produceren, maar ook arbeid heeft een tweevoudig karakter. Geschoolde arbeid levert immers meer waarde op dan ongeschoolde arbeid. Marx abstraheert daar dan van, door het begrip eenvoudige gemiddelde arbeid te introduceren. Over deze denksprong wordt door Marxisten nog altijd gediscussiëerd. Vervolgens zegt Marx dat waarde niet hetzelfde is als rijkdom. Als men met minder arbeid dezelfde waren kan produceren, dan daalt de waarde van de waren, maar de rijkdom neemt toe!

In sectie 3: De waardevorm of ruilwaarde (Harvey, minuut 22) zegt Marx dat de waarde van een waar geen materiële kwaliteit is, maar tot stand komt in een sociale relatie met andere waren. Zonder ruilhandel heeft een waar geen waarde. De waarde is dus niet materieel, maar wel objectief. Harvey legt dat heel helder uit! Het boek wordt nu wel erg saai, maar Harvey weet het tot leven te brengen. Wanneer er voldoende ruil wordt bedreven, dan zal een soort waar de objectieve waarde gaan vertegenwoordigen, oftewel dienst doen als ruilmiddel. Dit ruilmiddel is het geld, te beginnen met goud. Het karakter van een ruilmiddel is, dat het geen gebruikswaarde heeft, maar alleen ruilwaarde, terwijl de waren hun waarde ontlenen aan hun gebruikswaarde!

Sectie 4 van H. 1 gaat over het fetisjkarakter van de waar. Harvey begint daarover rond minuut 50, een goed moment voor een pauze! Dit laatste deel van H. 1 is beslist niet saai, maar zowel moeilijk als erg belangrijk! Door de werking van de markt wordt het onzichtbaar welke sociale relaties in de waren verborgen liggen. We weten niet wie ze produceerde of onder welke omstandigheden. Dit heeft gevolgen voor onze hele sociale organisatie. Volgens Marx vloeit ook de heersende ideologie voort uit de manier waarop waren worden geproduceerd. Als we de sociale relaties willen veranderen, dan heeft het geen zin om te sleutelen aan de ideologie, maar we zullen de productie op een andere wijze moeten organiseren. Harvey spreekt bijna 40 minuten lang over deze 10 pagina’s, dit eindigt rond minuut 1:28. Daarna wilde ik dat gedeelte graag herlezen! Dus weer een pauze…

Aha! Cruciaal is wat Marx zegt in een voetnoot, in mijn boek noot 33 op p. 39. Hij zegt dat… “de bepaalde productiewijze en de telkens met deze corresponderende productieverhoudingen, kortom de economische structuur van de maatschappij, de reële basis is, waarop een juridische en politieke bovenbouw is gegrondvest en waarmee bepaalde maatschappelijke vormen van bewustzijn corresponderen.” En dat… “de productiewijze van het materiële leven het proces van het sociale, politieke en geestelijke leven zonder meer beheerst.”

Bij minuut 1:28 begint Harvey over Hoofdstuk 2: Het ruilproces. Dit hoofdstuk telt slechts 7 pagina’s en het is ook niet moeilijk. Het gaat over de maatschappelijke verhoudingen tussen de mensen die de waren verhandelen. Voor de verkoper bezit de waar slechts ruilwaarde, voor de koper alleen gebruikswaarde. Om het ruilproces te vergemakkelijken, is het geld ontstaan. Ook dit is een waar, maar zowel de koper als de verkoper gebruikt het geld alleen als ruilwaarde. Tot slot waarschuwt Harvey nog even voor hoofdstuk 3: dit is volgens hem moeilijk. Het gaat over geld…

Class 02 Reading Marx’s Capital with David Harvey duurt een uur en 46 minuten.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

1 Reactie op “Het Kapitaal lezen met Harvey: Hoofdstuk 1 en 2”

Laat een reactie achter