Archief
Artikelen

Charles Kernaghan is de directeur van het National Labor Committee in Support of Human and Worker Rights in New York. Wat hij vertelt, is illustratief voor de politieke visie van Michael Parenti op de armoede in de wereld die wordt veroorzaakt door de globalisering en de kapitalistische politiek van de grote corporaties. Kernaghan verzet zich tegen de manier waarop de grote corporaties de bevolking van landen in de Derde Wereld uitbuiten, door hen voor een hongerloon te laten werken in sweatshops. Daar worden de goederen geproduceerd die worden verkocht aan de consumenten in het “Vrije Westen”. De prijs die zij betalen voor kleding, speelgoed en andere producten staat in geen enkele verhouding tot het loon dat de makers van deze producten ontvangen.

De productie van consumptiegoederen vindt niet langer plaats in de landen waar deze goederen worden verkocht aan de welvarende consumenten, maar in landen als China, Bangladesh of Haïti. De levensstandaard is daar laag en de organisatie van arbeiders in vakbonden of anderszins is er verboden. Het loon dat men deze arbeiders betaalt, is dan ook schandalig laag.

Opvallend is ook, dat het leeuwendeel van de arbeiders die werken in deze fabrieken, jonge vrouwen en meisjes zijn. Zij zijn meestal afkomstig van het platteland en ze wonen vaak op het terrein van de fabriek waar ze werken, onder omstandigheden die nog het meest doen denken aan de beruchte concentratiekampen van Hitler-Duitsland. Ze mogen de fabriek niet verlaten, ze mogen tijdens het werk niet met elkaar praten, ze zijn verplicht om op commando over te werken. Ze mogen niet zwanger zijn of worden en ze mogen geen make-up dragen. Ze mogen tijdens het werk zelfs niet naar de WC en ze mogen geen water drinken, hoewel de temperatuur in deze sweatshops vaak oploopt tot 100 graden Fahrenheit of 38 graden Celsius!

Kernaghan reist de hele wereld rond om deze wantoestanden te onderzoeken en aan het licht te brengen. Hij werkt daartoe samen met United Students Against Sweatshops. Kernaghan klaagt de grote corporaties aan, waaronder de beruchte winkelketen Walmart, maar ook de schoenenproducent Nike en andere kledingfabrikanten. Ook richt hij zich openlijk tegen beroemde personen die een eigen kledinglijn exploiteren en gebruik maken van deze dwangarbeid in de Derde Wereld.

Werkelijk weerzinwekkend is volgens mij de productie van totaal nutteloze consumptiegoederen, zoals poppen van de Teletubbies, door meisjes die gevangen zitten in de fabriek, werkweken maken van soms wel 100 uur en zelfs dan niet voldoende verdienen om naar behoren in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Hoewel deze lezing werd gegeven in oktober 1999, vermoed ik dat er sindsdien niet veel is veranderd, laat staan verbeterd. Dit is de keerzijde van de vrije markt, het kapitalisme en onze consumptiemaatschappij. Wij in het “Vrije Westen” danken onze welvaart aan deze dwangarbeid.

Sweatshops and the Global Economy duurt anderhalf uur.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

3 Reacties op “Sweatshops en de wereldeconomie”

  • Herman:

    Misschien enigszins off-topic, maar toch:

    (en ook van M. Parenti)

    http://www.commondreams.org/archive/2007/05/25/1439

  • Dear drs. Bou,

    In case you missed it, this is for your files:

    Re No rush to pride, Aug 19] Recently it was revealed that China has already taken second place in the world by GDP (behind the USA) replacing Japan. The author asked: ”When will China’s GDP surpass that of the US?” and then says, ”The answer primarily depends on the method of accounting…”
    This is very essential! Let us elaborate on the accounting. We shall see that if services in China and the USA are valued equally, then China’s GDP is already surpassing that of United States.
    The Gross Domestic Product of a country is the single most important measure of macroeconomic performance. Countries can use their GDP to justify different quotas, like energy consumption.
    GDP is defined as the market value of all final goods and services produced domestically in a single year. It is important to notice that the GDP of a given country depend very much on the price of services in this country.
    At present, the US Gross Domestic Product is evaluated at about 14 trillion dollars (not adjusted for inflation). More precisely, the World Bank gives the number 14,256,300 million; see (http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_countries_by_GDP_(nominal)).
    While prices of some goods, like cars, computers and TV sets are similar all over the world, prices of services differ very much from country to country. In Western Europe, Japan and the US services are very expensive. In other places, like many Asian and African countries, services can be very cheap. In the same way, wages in Western Europe, Japan and the US are higher compared to the rest of the world.
    The federal minimum wage in the United States is US$7.25 per hour, which makes about $15,000 per year. Let us compare this to China. Recently, the city of Beijing has decided to raise its minimum wage by 20%, to 960 Yuan ($140) a month, which is about $1,700 per year. Other cities in China most likely will follow soon. Even with this raise though, wages in China are still about ten times lower than wages in the US.
    Correspondingly, services in China are about 10 times cheaper. For example, a simple haircut in China is in the vicinity of $1.5 (although prices vary in different places from 50 cents to $3). Medical cost and lawyer compensations in China are about 10 times cheaper too.
    Possibly many services in the US are of better quality and more valuable than in China, but may be not ten times better. After all, a haircut is a just a haircut all over the world.
    It is easy to see that the difference in service prices contributes to the difference in GDP. In 2009, the service sector in the US contributed about 77% to its GDP. This means the service sector was responsible for approximately $10.9 trillion dollars of US GDP. Thus the rest of the GDP is about $3.3 trillion.
    If we assume that services in China and the USA are equally valuable, of equal quality, then we have to assume that in order to compare US and China services we have to rescale the amount $10.9 trillion – divide it by 10. We arrive at the number $1.09 trillion.
    Thus the adjusted US GDP becomes 1.09 + 3.3 = 4.39 trillion dollars.
    According to the World Bank, China’s GDP in 2009 was about $4.9 trillion, which is bigger.
    Mladen Bonev,
    Economist and political analyst, Bulgaria (Aug 20, ’10)

Laat een reactie achter