Archief
Artikelen

(illustratie: Huseyin Baybasin)

Wanneer iemand een klacht indient op grond van art. 12 Sv., dan stelt de wet daaraan twee eisen: de klager moet rechtstreeks belanghebbende zijn en de klacht moet kennelijk gegrond zijn. Heeft de klager geen rechtstreeks belang bij de klacht, dan verklaart het hof hem niet ontvankelijk. Naar de argumenten en bewijzen wordt dan verder niet gekeken. De klager had dan immers niet het recht om te klagen. Is de klager wel ontvankelijk, dan bekijkt men de argumenten en de bewijzen. Bestaan deze uit louter flauwe kul, dan wordt de klacht kennelijk ongegrond verklaard. In het Advies van de Advocaat Generaal, mr. L. Ph. den Hollander, wordt dit als volgt verwoord:

A. De voorgestelde wijze van behandeling van dit klaagschrift

Voorafgaand aan de vraag of in deze zaak een nader onderzoek als bedoeld in art. 12c Sv. moet plaatsvinden, zijn in de eerste plaats de in dat wetsartikel genoemde preliminaire vragen aan de orde. Ik adviseer uw Hof dan ook eerst te oordelen over die preliminaire vragen, alvorens te beslissen of klager voor een behandeling ter zitting moet worden opgeroepen. Indien uw Hof mijn hierna te bespreken opvatting over de ontvankelijkheid c.q. de gegrondheid volgt, kan oproeping immers ingevolge art. 12d, eerste lid Sv. juncto art. 12c Sv. achterwege blijven. Juncto betekent dat deze wetsartikelen in hun onderlinge samenhang moeten worden bekeken.

Op p. 7 en 8 van zijn advies zegt AG Den Hollander:

E.5. Demmink wordt tevens beschuldigd van “pedofilie”, gepleegd sinds tenminste 1990 in Turkije en andere landen, door klager in de aangifte vertaald als overtreding van de artt. 244 c.q. 245 Sr. Klager is hierin naar mijn oordeel kennelijk niet ontvankelijk om twee redenen.

E.6. In de eerste plaats omdat hij geen rechtstreeks belanghebbende is bij een vervolging van dit feit. Ik verwijs naar de opmerkingen dienaangaande in het ambtsbericht, die ik onderschrijf. Ik voeg daar nog aan toe dat de stelling van klager dat Demmink met deze pedofilie zou zijn gechanteerd en om die reden mee zou hebben gedaan aan het gestelde complot tegen klager, evenmin leidt tot het zijn van rechtstreeks belanghebbende bij een vervolging voor pedofilie. Klager zou dan immers niet het slachtoffer zijn van pedofilie, maar van het feit dat Demmink door chantage meedeed aan dat complot en de in het kader daarvan tegen klager gepleegde strafbare feiten.

Dat laatste lijkt me een drogreden. Van iemand die sterft aan een slangenbeet, zal men ook niet beweren: “Hij stierf niet aan een slangenbeet, maar aan het gif!”

E.7. De tweede reden is dat het gaat om delicten die, volgens de bron waarop klager zich beroept, Mehmet K. en het slachtoffer Mustafa Y., plaatsvonden ten tijde dat het slachtoffer reeds 12 jaar was, zodat vervolging op basis van art. 244 Sr. niet mogelijk is. Vervolging op basis van art. 245 Sr. stuit af op het feit dat het om een klachtdelict gaat voor feiten die zouden hebben plaatsgevonden vóór 1 oktober 2002. Volgens de bronnen is midden jaren negentig van de vorige eeuw het tijdvak dat het delict zich zou hebben afgespeeld. Ik laat voor dit moment de bewijswaarde van de beweringen van deze bronnen buiten beschouwing; een vervolging stuit zonder verder onderzoek reeds af op deze formele punten. Ten aanzien van de klacht over pedofilie is klager dus ook om deze redenen kennelijk niet-ontvankelijk.

Dit behoeft wat nadere toelichting. Art. 244 Sr. verbiedt seks met minderjarigen tot 12 jaar en art. 245 Sr. verbiedt seks met minderjarigen van 12 tot 16 jaar. De straf in art. 245 Sr. is lager en Mustafa Y. was 12 of 13 jaar toen hij met Joris D. mee moest. Uit de woorden van mr. Den Hollander blijkt echter, dat art. 245 Sr. tot 1 oktober 2002 een klachtdelicht was. Voor Joris D. is dat een gunstige bepaling, omdat de gewraakte pedofilie in Turkije zich afspeelde vóór 1998.

Art. 1 Sr. luidt: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

In sommige gevallen heeft niet iedereen het recht om aangifte te doen. De algemene regel staat in art. 161 Sv.: Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte of klachte te doen. Art. 64 Sr. zegt echter: Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene tegen wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd. In het betreffende wetsartikel staat dan dit zinnetje: Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. In geval van seks met minderjarigen kan ook de wettelijke vertegenwoordiger de klacht indienen, namens het slachtoffer. Zolang art. 245 Sr. een klachtdelict was, hadden anderen niet het recht om aangifte te doen. Kennelijk is dit zinnetje pas in oktober 2002 uit art. 245 Sr. geschrapt.

De redenering van mr. Den Hollander is echter nog niet sluitend. De officier van justitie bepaalt namelijk zelf voor welke feiten hij de verdachte wil vervolgen. In dit geval is het ook mogelijk om een vervolging in te stellen op grond van art. 246 Sr.: Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft… Of zelfs op grond van art. 248 Sr.: Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft…

Lezen we de rest van het betoog, dan verwijt mr. Den Hollander Baybasin eerst dat hij niet duidelijk zegt op grond waarvan hij Joris D. vervolgd wil zien. Dat is echter niet de taak van Baybasin, dat moet de officier van justitie doen! Vervolgens sluit mr. Den Hollander deze twee wetsartikelen uit, omdat er in de aangifte en het klaagschrift geen melding zou worden gemaakt van dwang, geweld of misbruik van gezag. Lees de verklaringen van Mustafa Y. en Mehmet K. en oordeel zelf!

In het advies van mr. Den Hollander staat:
E.8. De bij de Hoofdofficier gedane aangifte had betrekking op pedofilie (p. 28). In de inleiding van het klaagschrift wordt dat herhaald, maar op p. 61 daarvan wordt, overigens zonder enige toelichting, tevens vervolging gevraagd terzake van verkrachting, en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid en/of ontucht met misbruik van gezag, gepleegd in Turkije in de jaren 1995 – 1998. Het gaat dus bij deze feiten om een beperktere plaats – en tijdbepaling. Nu in het klaagschrift echter uitsluitend sprake is van ene Mustafa Y. als concreet slachtoffer, ziet dus ook deze beschuldiging kennelijk op Mustafa Y., zij het in een andere juridische vertaling. Aangifte noch klaagschrift bieden overigens aanknopingspunten voor dwang, geweld, feitelijkheden of misbruik van gezag als in de betreffende wetsartikelen bedoeld. Maar of het nu om Mustafa Y. of (een) onbekende derde(n) zou gaan, ook hier geldt dat klager om de hiervoor genoemde redenen geen rechtstreeks belanghebbende bij de vervolging van deze feiten is, zodat hij ook hier kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De laatste zin van deze alinea wordt overgenomen door het hof. Of Baybasin aangifte had mogen doen van pedofilie van Joris D., wordt niet verder onderzocht. Er wordt uitsluitend gekeken of hij rechtstreeks belanghebbende is in de zin van art. 12 Sv. Alleen dan heeft hij het recht om te klagen over het niet vervolgen van Joris D. inzake pedofilie. In de Beschikking van het Gerechtshof ’s Gravenhage staat op p. 5: ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEKLAG met betrekking tot de gestelde zedendelicten:

6. Alvorens tot een inhoudelijke toetsing van het onderhavige beklag te kunnen overgaan dient het hof te beoordelen of klager ontvankelijk is in het beklag. Daarbij komt primair de vraag aan de orde of klager in casu kan worden beschouwd als een rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Slechts degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging getroffen is in een eigen belang dat hem bepaaldelijk aangaat, kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van dit artikel. Het hof is van oordeel dat klager met betrekking tot de in de aangifte genoemde zedendelicten niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden beschouwd.

Klager is immers bij deze gestelde feiten, voor zover al voldoende geconcretiseerd, noch als slachtoffer, noch als vertegenwoordiger van het slachtoffer, noch anderszins betrokken.

Baybasin houdt vol, dat hij het slachtoffer is van een complot dat begint met de pedofiele gedragingen van Joris D. in Turkije. Daardoor was Joris D. chantabel en kon men hem dwingen tot een oneigenlijke strafvervolging, die voor Baybasin eindigde in levenslang. Laten we eens kijken naar de jurisprudentie. Zo zegt de gerenommeerde strafrechtjurist mr. F.F. Langemeijer in Het slachtoffer en het strafproces op pagina 51:

Het begrip rechtstreeks belanghebbende omvat meer personen dan de rechtstreeks benadeelde. Als belanghebbende in de zin van art. 12 Sv wordt beschouwd: degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging is getroffen in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat (HR 7 maart 1972, NJ 1973/35).

De formulering van de Hoge Raad was in dat arrest als volgt:

HOGE RAAD (Strafkamer), 7 maart 1972. NJ 1973/35

… dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van het Sv. als “belanghebbende” in de zin van art. 12 van dat wetboek moet worden beschouwd ieder die bij de instelling of de voortzetting van een vervolging een redelijk belang heeft, in dier voege dat het begrip “belanghebbende” het midden houdt tussen het te eng geoordeelde begrip “benadeelde” enerzijds en de als te ruim beschouwde begrippen “belangstellende” en “een ieder” anderzijds;
dat als “belanghebbende” in voormelde zin dan ook slechts kan worden beschouwd iemand, die door het achterwege blijven van een strafvervolging getroffen is in een belang, dat hem bepaaldelijk aangaat;

Het Hof redeneerde aldus: Baybasin is geen rechtstreeks benadeelde van de pedofilie van Joris D. en dus is hij niet rechtstreeks belanghebbend. Baybasin is bij de gestelde feiten echter wel degelijk anderszins betrokken! Volgens eigen zeggen werd Baybasin benadeeld door de pedofilie van Joris D., die immers chantabel was. Baybasin werd veroordeeld tot levenslang op gronden die uiterst discutabel blijken. Hij is weliswaar niet rechtstreeks benadeeld door de pedofilie van Joris D., maar zijn rechtstreekse belang is daarom niet minder groot! Dat het begrip “rechtstreeks belanghebbende” zich uitstrekt tot meer personen dan alleen het directe slachtoffer, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis.

Het Hof zegt vervolgens: Daar komt nog bij dat van deze feiten geen aangifte is gedaan, zodat de sepotbeslissing niet geacht kan worden zich tevens uit te strekken tot deze feiten.

Inmiddels heeft Mustafa Y. aangifte gedaan tegen Joris D. Deze aangifte zal zelfstandig moeten worden beoordeeld, onafhankelijk van het sepot van de aangifte van Baybasin.

Het hof zegt dan: De complottheorie die klager ten grondslag legt aan zijn stelling dat hij ten onrechte is veroordeeld kan evenmin een reden zijn om een eigen, rechtstreeks belang van klager aan te nemen bij de vervolging van zedendelicten die door beklaagde Demmink zouden zijn begaan.

Deze bewering lijkt me uiterst subjectief. Want stel dat Baybasin de waarheid spreekt. Stel dat alle getuigen eveneens de waarheid spreken. Geachte voorzitter, mr. R. Noordam, en geachte raadsheren, mrs. D.J.C. van den Broek en U. van den Pol, u heeft deze beschikking ondertekend, maar wie liegt er dan?

Het hof zegt tot slot: Een en ander leidt tot de conclusie dat klager wat betreft dit onderdeel van het beklag kennelijk niet-ontvankelijk is.

7. Gelet het hiervoor overwogene zal eerder genoemde enveloppe met persoonsgegevens ongeopend aan de raadsvrouw van klager worden geretourneerd.

In die envelop zaten twee verklaringen op video: van Mustafa Y. en van Mehmet K., de politieman die Mustafa aan Joris D. had uitgeleverd. Het hof heeft besloten dat Baybasin bij deze klacht geen belang had, waardoor het deze verklaringen zelfs niet hoefde te bekijken. Zowel de wetsgeschiedenis als de jurisprudentie bieden echter voldoende ruimte om Baybasin wel aan te merken als rechtstreeks belanghebbende. Er is hier dus sprake van een bewuste keuze.

Ceterum censeo Joris D. strafrechtelijk… wordt vervolgd.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

2 Reacties op “De ontvankelijkheid van Baybasin”

Laat een reactie achter

Recente reacties