Archief
Artikelen

Als men vermoedt dat er een misdaad is gepleegd, dan wordt dit eerst onderzocht door de recherche. Als blijkt dat er inderdaad een misdaad is gepleegd, waarbij de sporen wijzen naar een vermoedelijke dader, dan zal het OM deze persoon strafrechtelijk vervolgen. Dat gaat via vaste procedures, de opsporing en vervolging zijn gebonden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering. Als het OM het bewijs tegen de verdachte rond heeft, wordt de zaak voorgelegd aan de rechters.

De rechters moeten drie dingen toetsen:
1) Verliep de vervolging volgens de regels? Zo niet, dan is het OM niet ontvankelijk.
2) Is bewezen dat deze persoon het misdrijf heeft gepleegd? Zo niet, dan volgt vrijspraak.
3) Is deze persoon strafbaar? Zo niet, dan volgt ontslag van rechtsvervolging.

In de volksmond worden al deze uitkomsten vrijspraak genoemd en daar komen ze ook op neer: de verdachte wordt vrijgelaten en de vervolging gestaakt. Juridisch zijn er echter wel verschillen. Vrijspraak betekent dat de rechters denken, dat de verdachte het misdrijf niet heeft gepleegd. Sweeney werd in oktober 1996 vrijgesproken. De rechtbank achtte niet bewezen dat de brand was aangestoken, het was geen misdrijf, maar een ongeluk.

Het OM ging in hoger beroep, maar kreeg op 6 november 1996 van het Hof Den Bosch de opdracht om te komen met bewijzen waaruit de brandstichting zou blijken. Na ruim drie jaar experimenteren door TNO, met nagebouwde slaapkamers en liters terpentine, meende het OM het bewijs rond te hebben. De zaak kwam op 6 februari 2001 opnieuw voor bij het Hof Den Bosch, dat is ruim 4 jaar later!

Bij het arrest van het Hof Den Bosch ontbreekt de tenlastelegging. Er staat: PRO MEMORIE en dan: Het hof overweegt met betrekking tot het ten laste gelegde dat de formulering aan duidelijkheid enigszins te wensen overlaat. Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat het de kennelijke bedoeling was om -kort gezegd- het verwijt tot uitdrukking te brengen dat verdachte zijn toenmalige echtgenote opzettelijk en met voorbedachten rade, door middel van opzettelijke brandstichting, om het leven heeft gebracht en leest de tenlastelegging in deze zin. De tenlastelegging was kennelijk zo onduidelijk, dat het Hof deze achteraf heeft verbeterd! Dat is in strijd met de regels, rechters mogen slechts oordelen op grond van de tenlastelegging en deze niet veranderen of verbeteren.

De advocaat van Sweeney deed eerst een beroep op artikel 6 EVRM: het recht op een behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. Het Hof antwoordde: Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in casu geschonden. Bij afweging van de betrokken belangen zou een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie -gelet op de bijzondere ernst van het ten laste gelegde feit en de mate van overschrijding- echter geen passende reactie vormen. Het hof verwerpt mitsdien het verweer. Het Hof geeft toe dat een redelijke termijn is overschreden, maar acht dat dan minder belangrijk, omdat het om een ernstig delict gaat.

Vervolgens stelde de advocaat dat het bewijs op een ondeugdelijke manier is verzameld. Bij het onderzoek naar de oorzaak van de brand werden tapijtmonsters gebruikt die uit de vloerbedekking waren genomen nadat de slaapkamer grondig was schoongemaakt. In deze monsters werden sporen van terpentine aangetroffen en deze vormen de basis van het bewijs. Het Hof antwoordde: Het hof constateert vooreerst dat er sprake is geweest van een breed opgezet, omvangrijk onderzoek. Dat er enige onvolkomenheden kleven aan een dergelijk uitgebreid onderzoek is onvermijdelijk. Het hof is echter van oordeel dat die onvolkomenheden niet van ernstige aard zijn… Het Hof geeft toe dat het bewijs niet deugt, maar gezien de omvang van het onderzoek (ruim drie jaar en zes miljoen gulden) vindt het Hof dat niet ernstig… Het OM wordt ontvankelijk verklaard.

Vervolgens kijkt het Hof naar de bewijzen. Sweeney zou brand hebben gesticht en daarna zijn vertrokken. Er volgt een heel betoog waarom het Hof bewezen acht dat de brand is aangestoken. Ook acht het hof het zeer waarschijnlijk dat er bij het slachtoffer, ten tijde van het ontstaan van de brand, sprake is geweest van een toestand van bewusteloosheid, in elk geval van een sterk verlaagd bewustzijn.

Het betoog eindigt aldus: Het hof acht wat dit betreft niet zonder betekenis dat de verdachte, die met het slachtoffer had afgesproken om op 15 juli in Amsterdam uit te gaan, tegenover haar -naar ter terechtzitting is gebleken- heeft verzwegen dat hij, alvorens zich aldaar bij haar te voegen, naar de woning in Steensel zou gaan en dat hij vervolgens die middag enkele uren in de woning te Steensel is geweest -hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend- en derhalve alle gelegenheid heeft gehad om de door hem voorgenomen brandstichting voor te bereiden.

Kevin Sweeney had met Suzan afgesproken om dat weekeinde in Amsterdam inkopen te doen voor het nieuwe huis. Daarbij is hij zelf eerst naar Steensel gegaan. Hij is een paar uur lang alleen in Steensel geweest en dat geeft hij ook toe. Hij was daardoor wel in de gelegenheid om de brand voor te bereiden, maar er is geen enkel bewijs dat hij dit inderdaad heeft gedaan! Dat zijn dochtertje plotseling ziek zou worden, waardoor hij snel naar België terug moest, dat wist hij niet van te voren. Hij was dus niet in de gelegenheid om dit alibi voor te bereiden. Ook daarover geen woord in dit arrest.

En wie deed eigenlijk de deur dicht? De deuren waren van binnen vergrendeld, de werkster kon er met haar sleutels niet in. Zelfs als Sweeney de sleutels had, hetgeen hij ontkent, dan nog kan hij de deuren niet van binnen uit hebben vergrendeld. Volgens het Hof ligt Suzan bewusteloos op het bed… In dit arrest is alle logica zoek! Sweeney ging in cassatie.

In cassatie buigt de Hoge Raad zich niet over de feiten, daaraan kan nu niet meer worden getornd. De HR vraagt zich ten eerste af of deze feiten de conclusies van het Hof rechtvaardigen, oftewel of er logisch is nagedacht. De tweede vraag is dan, of het recht op de juiste wijze is toegepast. Voor de Hoge Raad zijn speciale advocaten, de veroordeelde zoekt daarom een nieuwe advocaat die toegang heeft tot de HR. Deze dient de klachten in, de zogenaamde rechtsmiddelen. Die worden eerst beoordeeld door de Advocaat Generaal, als vertegenwoordiger van het OM, waarop de advocaat commentaar mag leveren. Daarna beoordeelt de Hoge Raad de zaak.

Aan dit arrest van de Hoge Raad is de conclusie van Advocaat Generaal Jörg toegevoegd. Er zijn 12 rechtsmiddelen aangewend, maar middel 2 werd later ingetrokken. De Hoge Raad houdt het kort en begint meteen met rechtsmiddel 3: De monsters van de vloerbedekking zijn genomen nadat de slaapkamer was schoongemaakt. Dat het Hof dit niet ernstig vond, is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Het rechtsmiddel faalt.

De middelen 4, 5 en 6 worden dan in een adem afgehandeld. Ze gaan over het feit dat het Hof de conclusies van ing. Reijman van TNO en twee andere brandonderzoekers overnam, zonder rekening te houden met de kritiek van deskundigen Bijl en Barnett op dit onderzoek. In zijn overwegingen betrekt de HR ook dat de heer Bijl zou hebben verklaard dat het waarschijnlijker is, dat de brand door open vuur is ontstaan. De heer Bijl heeft echter steeds beweerd dat het een smeulende brand was en hij blijft daar bij! Deze onwaarheid is gebaseerd op een verdraaiing van zijn verklaring door het OM, maar dat wordt in cassatie niet rechtgezet, want het behoort nou eenmaal tot de “feiten”. Het betoog gaat zo nog even door, tot de middelen tevergeefs zijn voorgesteld.

Dan volgt 5: Beoordeling van de overige middelen: De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Over de rest van de middelen zegt de HR dus niets! Dan volgt het vonnis: Omdat er meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de procedure alweer veel te lang heeft geduurd, verlaagt de HR de straf van 13 jaar naar 12 ½ jaar.

Artikel 81 RO luidt: Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel. Vragen naar de bekende weg heeft bij de HR geen zin, want dan volgt artikel 81 RO. We hebben echter nog steeds geen antwoord op de vraag wie de deur dicht deed! Misschien staat dat wel ergens in de middelen 1 en 7 t/m 12…

Deze middelen worden wel besproken door de AG, mr. Jörg. Hij zegt in alinea 3: Het eerste middel bevat de klacht dat het hof wijzigingen in het verkorte arrest heeft aangebracht of twee verschillende versies van het verkorte arrest in omloop heeft gebracht. Dat dit arrest van het Hof een puinhoop was, wisten we reeds, maar het blijkt achteraf ook nog eens veranderd. De HR laat zich daar niet over uit en mr. Jörg zegt dat de eerste versie slechts een concept was, zodat het middel faalt.

Middel 2 was vervallen, de middelen 3 t/m 6 gingen over de brandtechnische aspecten. Mr. Jörg is daarover veel gedetailleerder dan de HR, maar komt tot dezelfde conclusie: de middelen falen. In alinea 64 staat het zevende middel: …dat bewijsmiddelen onderling tegenstrijdig zijn of strijdig zijn met de bewezenverklaring. Ook dat gaat over brandtechnische aspecten, voor de liefhebbers! Het middel faalt.

In alinea 74 staat het achtste middel. De bewijsconstructie is niet concludent ten aanzien van het moment van het ontstaan van de brand. Zoals we weten werd de brand pas rond kwart voor 4 ontdekt, terwijl Sweeney om half 5 zeker thuis was. De rit van Steensel naar Bousvan duurt een uur en 50 minuten. Het Hof achtte bewezen dat Sweeney tussen 02.10 uur en 02.38 uur is vertrokken. Van kwart voor 3 tot 3 uur controleerden vier mensen het huis, zonder iets te bemerken. Toch achtte het Hof bewezen dat er rond die tijd een terpentinebrand woedde. De AG antwoordt echter dat de brandtesten slechts betrekking hadden op de binnenkant van het huis. Ze zeggen daarom niets over de zichtbaarheid van het vuur voor mensen die buiten waren. Het middel faalt.

In alinea 80 staat het negende middel: …dat door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s niet of onvoldoende gemotiveerd zijn verworpen. Dat gaat over de koolmonoxidevergiftiging en de tweedegraads brandwonden die wijzen op een smeulende brand. In het TNO-rapport staat echter dat het een terpentinebrand was. Het middel faalt.

In alinea 85 staat het tiende middel: …dat ten onrechte door het hof onaannemelijk is geacht dat de brand is veroorzaakt door roken in bed. Volgens de AG bewijzen de brandproeven echter dat een sigaret niet de oorzaak was. Het middel faalt.

In alinea 90 staat het elfde middel: …dat sprake was van een hoeveelheid brandversnellende middelen die de gebruikelijke hoeveelheid voor huishoudelijk gebruik verre overstijgt. De AG zegt dan dat in ieder geval één van de aangetroffen restanten van een fles terpentine waarschijnlijk een jerrycan van 5 liter betrof. Het middel faalt.

In alinea 96 staat het twaalfde middel: …dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker de woning heeft verlaten nadat de brandbare stoffen vlam hadden gevat en dat het scenario van brandstichting door verzoeker in strijd is met het feit dat de ramen en deuren op de begane grond van binnenuit waren afgesloten. Ha, eindelijk!

Dan komt de AG met de verklaring … dat het mogelijk is om de schuifpui, als deze open is geschoven met de vergrendelinghandle in de stand ‘gesloten’, van buitenaf dicht te schuiven en vervolgens met een hefboom (de spade) op te lichten en in het slot te laten vallen, waarna het erop lijkt dat deze schuifpui van binnen is afgesloten. Het is niet slechts de speling in de schuifpui die dit mogelijk maakt, maar ook de speling van het lot, dat bij het pand een spade is aangetroffen.

Die spade is daarmee opeens een feit! Maar meester Jörg, dat mag toch niet? In cassatie behoort men zich te beperken tot de feiten die in de eerdere procedures zijn aangedragen en die door het Hof zijn beoordeeld. Er was helemaal geen spade in het geding! De HR zou dan moeten zeggen: “Jörg, rot toch op met je schop!” Als er een nieuw feit nodig is om de redenering van het Hof een beetje plausibel te maken, dan was die redenering niet logisch. Daaruit volgt dat het middel doel treft! Maar de HR beroept zich op artikel 81 RO. Zonder enige motivatie!

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema.

Ceterum censeo Joris D. strafrechtelijk… wordt vervolgd.

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

Gesloten voor reacties.

Recente reacties