Archief
Artikelen

The Prize is een filmserie in acht delen over de geschiedenis van de aardolie. In de eerste vier delen werd een periode behandeld van ongeveer een eeuw, vanaf de ontdekking van aardolie omstreeks 1850, tot en met de Tweede Wereldoorlog. Na afloop van WO II was de olie ongeveer zo verdeeld:

Alle oliebronnen in de VS waren ooit eigendom van Standard Oil en daarmee van John D, Rockefeller, maar Standard Oil werd in 1911 gedwongen tot opsplitsing. Sindsdien werd de olie beheerst door de zogenaamde Seven Sisters. In volgorde van grootte waren dat:

1) Esso (Standard Oil of New Jersey) werd later Exxon genoemd.
2) Royal Dutch Shell had een groot aandeel in het vervoer van de olie, te beginnen met olie uit Bakoe (Rusland), en beheerste de olievelden op Sumatra.
3) Anglo Persian Oil bezat de olievelden van Perzië, het huidige Iran. Ook had APO een groot aandeel in de Irakese olie. In 1954 werd APO hernoemd tot British Petroleum (BP).
4) Socony (Standard Oil of New York), werd later Mobil genoemd en fuseerde ten slotte met Exxon tot ExxonMobil.
5) Socal (Standard Oil of California) werd later Chevron genoemd en fuseerde in 2001 met Texaco.
6) Gulf Oil werd in 1985 voor het grootste deel verkocht aan Chevron.
7) Texaco fuseerde in 2001 met Chevron.

Dat men hen de Seven Sisters noemde, komt omdat ze nauw samenwerkten om de marktprijs te beheersen. Te veel olie betekende dat de prijs zou dalen, maar te weinig olie zou betekenen dat de hele economie stagneerde. Socony en Texaco zullen in dit deel gaan samenwerken in Saoedi-Arabië, in een maatschappij die Aramco heette.

Het vijfde deel van deze serie begint nog voor WO II, met de zoektocht naar olie in de uitgestrekte woestijn van Saoedi-Arabië. Omstreeks 1930 waren alle stammen van Saoedi-Arabië verenigd onder een stamhoofd: koning Abdul Aziz Ibn Saud. Dat deze grote zandwoestijn olie zou bevatten, kwam bij niemand op. In Iran was olie gevonden, die door Anglo Persian Oil werd geëxploiteerd. In Irak, rond Kirkuk in het noorden en rond Basra in het zuiden, werd de olie door de Engelsen, Royal Dutch Shell en de Fransen (Total) geëxploiteerd. Ibn Saud had weinig op met deze Europese koloniale machten. Hij ontleende zijn inkomen aan de pelgrims naar Mekka en Medina, maar door de depressie van de jaren ’30 nam het aantal pelgrims af.

In 1931 had Socal wat olie ontdekt op Bahrein, een eiland in de Perzische Golf. Jack Philby was een Engelse avonturier en Arabist. Hij woonde in Saoedi-Arabië en was adviseur van Ibn Saud. Hij legde de relatie tussen Socal en Ibn Saud. De oliemaatschappijen stuurden een jurist, Lloyd Hamilton, die overleg pleegde met Abdullah Sulaiman, minister van financiën voor Ibn Saud, die ook Abdul Aziz wordt genoemd. In mei 1933 werd de concessie verkocht aan Socal, voor 375.000 dollar. De olie moest toen nog worden ontdekt! De Engelsen waren niet blij met de komst van de Amerikanen, maar ze gingen er van uit dat er geen olie zou worden gevonden.

Socal stuurde geologen, waaronder Tom Barger, die in 1937 in Saoedi-Arabië arriveerde en brieven schreef aan zijn jonge bruid. In maart 1938 werd eindelijk olie gevonden. In Mexico waren de oliebronnen door de regering genationaliseerd. Het Midden Oosten werd nu voor Socal de belangrijkste plaats van productie, maar de investering was groot. Er werd een nieuwe maatschappij gevormd, Aramco, waarin Socal en Texaco samenwerkten. In 1939 brak de oorlog uit en hoewel Saoedi-Arabië neutraal bleef, lag de ontwikkeling van de oliebronnen stil.

Tijdens de oorlog stelde minister Harold Ickes de benzine in de VS op rantsoen. Ickes wilde Aramco kopen, maar daartegen bestond verzet. Hij bouwde een pijplijn van Texas naar de oostkust, maar de bevolking verzette zich ook tegen deze staatsinmenging. De olie moest in handen blijven van particuliere maatschappijen, maar het strategische belang van olie was groot. Geologen verklaarden dat Saoedi-Arabië beschikte over zeer veel olie. Na de afloop van de Yalta-conferentie in 1945 ging president Roosevelt daarom per schip naar de Rode Zee, waar hij koning Inb Saud aan boord ontving. Behalve over olie, werd er ook gepraat over de stichting van de staat Israël. Ibn Saud was daar tegen.

De Britse invloed in het Midden Oosten strekte zich uit over Egypte, Palestina, Libanon, Iran en Irak, tot in India. Maar Saoedi-Arabië deed liever zaken met de Amerikanen, die militairen stuurden om de oliebronnen te bewaken en goed voor de olie betaalden, eerst met goud en toen met dollars. De Arabische olie werd gebruikt voor het Marshall plan, waardoor ook Europa en Japan overgingen van steenkool op olie. In januari 1947 kwam kroonprins Saud naar Washington om president Truman te ontmoeten. Om meer olie te winnen waren grote investeringen nodig, daarom ging Aramco in 1947 samenwerken met Esso en Socony. Socal werd later Chevron, Texaco fuseerde met Chevron, Esso werd Exxon en Socony werd Mobil, zij fuseerden tot ExxonMobil. Deze oliemaatschappijen kregen steun van de regering, hoewel er officieel geen staatsinmenging was.

In 1948 werd de staat Israël opgericht en Ibn Saud legde zich er bij neer. Officieel was Aramco verantwoordelijk voor de oliewinning en de regering van de VS was politiek verantwoordelijk voor de vorming van Israël. In feite was de verwevenheid tussen de oliemaatschappijen en de regering echter heel groot. Met Venezuela was reeds tijdens de oorlog afgesproken dat de olieopbrengsten voor 50% naar Venezuela gingen en voor 50% naar de oliemaatschappijen. Saudi-Arabië wilde nu ook 50%. In de VS werd besloten tot een grote belastingverlaging voor de oliemaatschappijen, die nu een hoge belasting betaalden aan Saudi-Arabië.

In Perzië (Iran) hadden de Britten een grote olie-industrie opgebouwd, maar na de oorlog streefden de koloniale staten naar onafhankelijkheid. De Britten (BP) wilden geen 50% betalen aan Iran. De Sjah van Perzië had geen macht, deze lag bij de eerste minister, Mohammed Mossadeq. In 1951 werd de olie in Iran genationaliseerd en de Engelsen konden vertrekken. Maar de oliemaatschappijen (Seven Sisters!) gingen over tot een boycot, Iran kon zijn olie nergens verkopen en BP dreigde alle Iraanse olie in beslag te nemen, zodra deze buiten Iran kwam. In de VS vreesde de regering Eisenhouwer, dat Iran in het kamp van de aangrenzende Sovjet Unie zou belanden. De CIA en MI6 wisten Mossadeq in 1953 te verjagen in een geheime operatie, genaamd Ajax. De Sjah werd in zijn macht hersteld als absolute monarch, Engeland kreeg zijn oliebelangen terug. Het resultaat was, dat de bevolking uiterst anti-Amerikaans werd.

The Prize, deel 5: Crude Diplomacy duurt 53 minuten

Share and Enjoy:
  • NuJIJ
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • RSS
  • email

3 Reacties op “De geschiedenis van aardolie, The Prize deel 5”

Laat een reactie achter

Recente reacties